Doorgaan naar content

BRU-taal: academische werkplaats versterkt taaldidactiek en het zorgbeleid

Wat houdt dit project BRU-taal in?

In BRU-Taal werkten Brusselse basisscholen, onderzoekers en taalexperts samen in een zogenaamde academische werkplaats om de taaldidactiek en het zorgbeleid te versterken in een diverse, meertalige onderwijscontext.

Via opleiding, intervisie, praktijkonderzoek en datagebruik worden leerkrachten ondersteund om taal niet alleen als vak, maar als leerinstrument in alle lessen in te zetten. Zo wordt tegelijk ook gebouwd aan een sterker, gedeeld beleid rond brede basiszorg en verhoogde zorg, waarbij taalontwikkeling centraal staat.

De aanpak combineert wetenschappelijke inzichten, praktijkervaring en begeleide professionalisering, zodat kennis binnen het schoolteam blijft groeien.  

Doel van het project

BRU-Taal bouwde aan een duurzaam, academisch samenwerkingsplatform waarin scholen, leraren, onderzoekers en taalexperts werken aan taalgericht lesgeven, zorgverbreding en datagebruik. Het project streefde naar:

  • Taaldidactiek versterken binnen brede basiszorg en verhoogde zorg.

  • Interne expertise opbouwen via opleiding en inzet van taalcoaches.

  • Scholen verbinden in een lerend netwerk (praktijknetwerk).

  • Onderzoekende en evidence-informed houding van leraren versterken.

  • Taalbeleid structureel inbedden in de schoolwerking.

Procesverloop

Het verloop van het project, de beslissingen en hun onderbouwing worden hier verder toegelicht per fase.

Fase 1: Context en aanleiding

Veel Brusselse scholen met grote taal- en SES-diversiteit herkennen dezelfde uitdaging: leerlingen met diverse taalachtergronden halen niet altijd de gewenste taal- en leerresultaten, ondanks inspanningen in zorg en differentiatie. Leraren zoeken houvast in een effectieve taalaanpak die werkt in de klas, niet enkel op papier. Professionalisering blijft vaak versnipperd of te theoretisch.

BRU-Taal vertrok vanuit de vraag hoe praktijk, onderzoek en beleid structureel verbonden kunnen worden.

Bij BRU-Taal begon het met een grondige verkenning van de beginsituatie in de zes deelnemende basisscholen. Om een beeld te krijgen van de concrete noden werd beroep gedaan op praktijkgerichte expertise en wetenschappelijke literatuur, om evidence-informed werken te ondersteunen.

De analyse omvatte zowel gesprekken met directies, zorgcoördinatoren en leerkrachten als het in kaart brengen van leerlingdata, taalscreenings, schoolbeleid en bestaande professionaliseringsinitiatieven. Op die manier werd zichtbaar waar de belangrijkste noden lagen en welke kansen er zijn om toekomstige taaldidactische of zorgmatige ondersteuning verder te versterken. Door de data-gedreven aanpak was het mogelijk om de onderwijskeuzes te baseren op de specifieke schoolcontext. Aangezien de betrokken scholen zelf het initiatief namen vanuit een zorgbehoefte, werd de aansluiting met het schoolbeleid versterkt.

Fase 2: Plan en ontwerp

In de tweede fase van het project werd een wetenschappelijk onderbouwde basis gecreëerd om het verdere traject duurzaam vorm te geven. Op basis van de expliciete noden uit de zes Brusselse basisscholen, aangevuld met beschikbare leerlingdata, interne evaluaties en ervaringen van leerkrachten, werd gekozen voor een evidence-informed aanpak.

De drie speerpunten waren:

• De versterking van taalleren via brede basiszorg en verhoogde zorg.

• De oprichting van een academische werkplaats als motor voor kennisdeling en praktijkonderzoek.

• De focus op effectieve taaldidactiek ondersteund door monitoring en datagebruik.

Via het centrale werkplatform werkten onderzoekers, taalcoaches, leerkrachten en schoolbeleid samen aan praktijkgerichte kennisontwikkeling. Dit creëerde gedeeld leiderschap, een lerende cultuur en een structurele koppeling met het schoolbeleid. Tegelijk werd ingezet op professionalisering (o.a. opleiding taalcoach, intervisies, studiedagen), databeheer en ondersteuningstools die leerkrachten in staat stellen om gerichte interventies te ontwerpen en aan te passen op basis van leerlingresultaten.

Door het opzetten van duidelijke overlegstructuren (wekelijkse en maandelijkse projectmeetings, vaste coachings- en intervisiemomenten) en het inzetten van expertise vanuit UCLL, Eureka en de deelnemende scholen, werd een stevig fundament gelegd waarop het vervolg van het project kan voortbouwen. Deze fase zorgde dus voor de noodzakelijke randvoorwaarden om het project duurzaam en effectief te implementeren en dit op inhoudelijk, organisatorisch en beleidsmatig vlak.

Fase 3: Uitvoering en vooruitgang

De academische werkplaats fungeerde als motor van het project. In dit praktijkgerichte kennisplatform werkten onderzoekers, leerkrachten, taalcoaches en beleidsmedewerkers samen aan kennisopbouw, toepassing en reflectie. Dat zorgde voor gedeeld leiderschap: lessen, materialen en casussen werden uitgewisseld en voortdurend verbonden met onderzoeksinzichten. Het uitgangspunt daarbij was dat schoolontwikkeling minder effect heeft wanneer scholen uitsluitend individueel leren. Door ervaringen te delen tussen scholen werd de ontwikkelcyclus versneld, verdiept en gevalideerd.

Een speerpunt binnen het project was de opleiding van de taalcoaches. Geen klassiek nascholingstraject, wel een praktijkgericht leerproces waarin leerkrachten expertise opbouwden die ze meteen konden toepassen én delen met collega’s. Didactische kernprincipes zoals expliciete instructie, scaffolding, formatieve evaluatie en doelgerichte taalsteun in alle vakken kwamen hierbij aan bod. Daarnaast leerden taalcoaches ook hoe ze collega’s konden begeleiden in het uitproberen van nieuwe aanpakken, waardoor professionalisering zowel inhoudelijke taaldidactiek als procesmatige coaching omvatte.

Voor de opleiding tot taalcoach dienden de deelnemers een portfolio te maken. Op basis hiervan beoordeelde Eureka in welke mate ze de doelen van de opleiding hadden bereikt. Via het traject tot taalcoach (Eureka), intervisies en een pedagogische studiedag kregen deelnemers zowel theoretische onderbouwing als direct inzetbare strategieën. Observatie-opdrachten en casusbesprekingen maakten groei zichtbaar en overdraagbaar.

Intervisies vormden het hart van deze fase. Taalcoaches analyseerden praktijkervaringen samen met andere scholen en onderzoekers. Zo ontstond collectieve expertise en werd een onderzoekende houding gestimuleerd: niet doen wat goed voelt, maar bewust kiezen op basis van evidence-informed redeneren. De inspiratiedag BRU-Taal op 19 februari 2025 maakte deze aanpak zichtbaar voor een breder publiek. Verschillende taalcoaches en experts workshops gaven over de werking van de academische werkplaats en Anny Cooreman (Eureka) gaf de keynote.

Een tweede belangrijk aspect in deze fase van het project was het monitoren van de impact. LVS-toetsscores voor spelling werden gebruikt als meet- en evaluatie-instrument op twee momenten: vóór de start van de interventie (T1) en na afloop (T2). Naast de scores werd ook achtergrondinformatie van de leerlingen zoals thuistaal, leerjaar en klas meegenomen in de analyse. Zo werd niet alleen de professionalisering gevolgd, maar ook het effect op leerlingniveau op vlak van spelling.

Fase 4: Borging en resultaten

Mogelijke vervolgstappen zijn uitbreiding van het taalcoachtraject naar meer teamleden en verdere verankering van gedeeld leiderschap en de academische werkplaats in het schoolbeleid.

We merken dat de kennis van taaldidactiek, differentiatie en formatieve evaluatie van de leraren verhoogd is. Ook hun vaardigheden in zijn versterkt. Daarbij is ook een groeiende onderzoekende en reflectieve houding zichtbaar, onder meer gekenmerkt door kritischer kijken naar het eigen lesgedrag, meer aandacht voor herhaling en discipline, en bewuster omgaan met taalsteun voor leerlingen. De taalcoaches geven aan dat ze willen blijven uitwisselen, ook na afloop van het project.

Leraren passen de aangeleerde methodieken daadwerkelijk toe in de klas en delen deze in toenemende mate met collega’s. In sommige scholen leidt dit tot een bredere verspreiding van de aanpak, in andere is dit proces trager. Praktijkvoorbeelden tonen dat collega’s technieken overnemen zodra ze de effectiviteit in de klas zien. Het project stimuleert zo niet alleen individuele professionalisering, maar ook collegiaal leren en teamontwikkeling, hoewel het succes hiervan sterk afhankelijk blijft van schoolcultuur en ondersteuning door de schoolleiding.

Een eerste analyse van LVS-toetsscores toont een significante stijging tussen het begin- en eindmoment van de interventie. Dit kan erop wijzen dat de aanpak een positief effect op de leerresultaten ghad, vooral dan bij leerlingen uit de bovenbouw (vierde, vijfde en zesde leerjaar). In het tweede leerjaar treedt eerder een lichte daling op, wat verdere analyse vraagt. Succesfactoren blijken vooral te liggen in voldoende ondersteuning vanuit de schoolleiding, de aanwezigheid van een teamcultuur, beschikbare tijd en middelen bij implementatie en de coherentie tussen de inhoud van de professionalisering en de concrete noden van de schoolcontext.

Resultaten

Op schoolniveau: 

- doelgerichte inzet van taaldidactiek (expliciete instructie, scaffolding, formatieve evaluatie) 
- sterkere samenhang tussen klaspraktijk, zorgstructuur en taalbeleid 
- groei in gedeeld leiderschap: taalcoaches als aanspreekpunt en procesdragers 

Op leerkrachtenniveau: 

- groter didactisch repertoire voor taalondersteuning 
- versterkte reflectie- en onderzoeksattitude 
- interventies worden gekoppeld aan data in plaats van intuïtie 

In de schoolcultuur: 

- professionalisering wordt collectief georganiseerd i.p.v. individueel 
- intervisie en praktijkdeling structureel ingebed 
- taal als leerinstrument in alle vakken, niet enkel in taallessen 

Succes- en belemmerende factoren

Door de hoge werkdruk hadden niet alle leerkrachten voldoende gelegenheid om uitgebreid te reflecteren of nieuwe aanpakken in de praktijk te brengen. 

De teams verschilden in hun voorkennis en ervaring met evidence-informed werken, waardoor het uitgangspunt niet overal gelijk was. 

Zonder een duidelijke beleidsmatige inbedding bestaat het risico dat de opgedane inzichten niet blijvend worden geborgd in de organisatie. 

Een belangrijk inzicht is dat duurzame ontwikkeling begint bij een gedeelde urgentie en een gezamenlijke visie. Wanneer het hele team voelt waarom verandering nodig is, groeit eigenaarschap en motivatie vanzelf. Daarnaast is het cruciaal om een veilige leeromgeving te creëren waarin ruimte is om te experimenteren, feedback te geven en van fouten te leren. 

Ook het interdisciplinair samenwerken blijkt waardevol: door verschillende rollen binnen én buiten de school te betrekken, ontstaan rijkere perspectieven en vernieuwende ideeën.  

Tot slot vraagt duurzame impact om structurele verankering van professionalisering binnen het school- en taalbeleid, zodat leren en ontwikkelen een vanzelfsprekend onderdeel van de schoolcultuur worden. 

Professionalisering

Welke kenmerken van effectieve professionalisering kwamen naar voor in het project? Om deze in kaart te brengen werden zowel de EEF-leidraad A school’s guide to implementation’ als het kader uit Hoe kan je de impact van professionalisering voor leraren in kaart brengen? (Merchie, E., Tuytens, M., Devos, G., & Vanderlinde, R. (2016)) gebruikt.

De professionalisering bestaat uit twee soorten kenmerken: inhoudskenmerken en structurele kenmerken.

Inhoudskenmerken

Focus op inhoud

Via het traject tot taalcoach kregen praktische leerstrategieën aangereikt die onmiddellijk inzetbaar zijn in de klas. In de praktijk gingen ze aan de slag met:  

  1. Effectieve instructiemodellen zoals GRR, instructie en formatieve evaluatie.  

  1. Taalspecifieke strategieën zoals begrijpend lezen en spellingsbewustzijn.  

  1. Datagestuurd opvolgen van leerlingen binnen de brede basiszorg en verhoogde zorg.

Focus op (vak)didactiek

Er werd ingezet op vakdidactisch inzicht over de cognitieve processen die aan de basis liggen van het taalleren. Er werd evidence-informed aan de slag gegaan met de volgende strategieën: 

  1. Scaffolding en GRR (Gradual Release of Responsibility) 

  1. Directe instructie en formatieve evaluatie 

  1. Metacognitieve strategieën en zelfregulatie 

  1. Differentiatie en responsief lesgeven.  

Daarnaast werden taalspecifieke domeinen zoals begrijpend lezen en taalbeschouwing gekoppeld aan leerdoelen van zaakvakken, om taal functioneel in te zetten als hefboom in het leerproces. 

Coherentie en gebaseerd op onderzoek

Het initiatief tot deelname aan de professionalisering kwam van de scholen zelf, wat aantoont dat de inhoud binnen het BRU-taalproject nauw aansluit bij de noden van deelnemende leerkrachten en de bredere schoolcontext.  

De professionaliseringsinhouden zijn stevig verankerd in wetenschappelijke inzichten. Voor dit project werd gewerkt met EEF- en NRO-richtlijnen en onderzoek van Hattie, Hermans, Van Regenmortel en Wehrens.

De deelnemers aan het BRU-taalproject pasten wetenschappelijke inzichten actief toe om hun eigen lespraktijk te onderzoeken en te versterken. Dankzij de voortdurende uitwisseling tussen onderzoek, praktijk en beleid ontstonden nieuwe inzichten die aansloten bij de specifieke context van elke school. Deelnemers kregen niet alleen kennis over effectieve taaldidactiek aangereikt, maar werkten ook gezamenlijk mee aan de ontwikkeling ervan. 

Eigenaarschap van inhoud en het proces bij professionele ontwikkeling

Op het platform van de academische werkplaats werden praktijkkennis, wetenschappelijke inzichten en beleidsvisies gebundeld en gedeeld. Daarnaast werd er ook gediscussieerd over de toepasbaarheid ervan in de klaspraktijk. Dit versterkte het gevoel van eigenaarschap bij de deelnemende scholen. Bovendien zorgde deze aanpak voor een cultuur van gedeeld leren en reflectie.  

Structurele kenmerken

Duur

  • Taalcoachopleiding: 7 x3u = 21 uur 

  • Intervisiesessies: 7x 2,5u = 17,5 uur 

  • Pedagogische studiedag: 3 uur 

  • Workshop studiedag Mikado UCLL: 1 uur 

Collectieve participatie met interne en externe collega’s

Het project BRU-Taal werd sterk collectief gedragen. De leerkrachten van de betrokken scholen kwamen tijdens het taalcoachtraject regelmatig samen met de externe experten van UCLL en Eureka Leuven. Tijdens die bijeenkomsten werden zowel ervaringen als kennis gedeeld. De taalcoachsessies werden afgestemd op de noden van leraren. De taalcoaches zelf namen hun opgedane kennis mee naar de eigen schoolcontext om daar in te spelen op de specifieke noden. Op die manier werd een cultuur gecreëerd van collectieve participatie, maar ook van gedeeld leiderschap.  

Actief leren op basis van onderzoek

De deelnemers aan het BRU-taalproject pasten wetenschappelijke inzichten actief toe om hun eigen lespraktijk te onderzoeken en te versterken. Dankzij de voortdurende uitwisseling tussen onderzoek, praktijk en beleid ontstonden nieuwe inzichten die aansloten bij de specifieke context van elke school. Deelnemers kregen niet alleen kennis over effectieve taaldidactiek aangereikt, maar werkten ook gezamenlijk mee aan de ontwikkeling ervan. 

Trainer

De kwaliteit van de trainers was een belangrijke succesfactor binnen dit project.  

Ze combineerden sterke inhoudelijke expertise met ervaring in procesbegeleiding van kernteams. Dankzij hun jarenlange ervaring in diverse schooltrajecten en vormingen konden zij deskundig, doelgericht en praktijkgericht ondersteunen. 

 

Ook interessant:

Wat is een begeleidingsproject?

Lees meer

Project ‘Brede basiszorg en verhoogde zorg’ bij Leerpunt

Kom er alles over te weten

Download de projectposter van BRU-taal

Download