Teksten | |
|---|---|
Tekst | Mondelinge, schriftelijke en/of multimodale weergave van ideeën, ervaringen, gedachten, gevoelens, meningen en informatie in taal. In de context van de minimumdoelen wordt dit structureel gebruikt voor elke talige boodschap: dit kan een geschreven of gesproken tekst zijn, maar ook een gesprek, een mondelinge instructie of een digitale boodschap. |
Rijke tekst | Een rijke tekst is een authentieke, aansprekende tekst met veelzijdig en gevarieerd taalgebruik, afkomstig van een vakkundige schrijver, die de leerling uitnodigt tot nadenken, beleven en betekenis geven. De inhoud is verhelderend, origineel, en/of gelaagd, en maakt het leggen van betekenisvolle verbanden binnen en tussen teksten mogelijk. De tekst helpt de leerling bij het leren over en begrijpen van zichzelf en de wereld, en draagt bij aan de uitbreiding van diens talige repertoire. Rijke teksten bestaan zowel voor het vak Nederlands als voor de zaakvakken. |
Taalverwerving | |
Taalverwerving | Binnen het curriculum wordt dit gezien als een spiraalvormig proces waarbij de basis in de kleuterklas wordt gelegd via "krachtig en preventief taalonderwijs". Woordenschat wordt |
Taalcompetentie | Taalcompetentie is het geheel aan talige kennis, vaardigheden en attitudes dat nodig is volwaardige deelname aan de samenleving mogelijk wordt; de eigen doelen gerealiseerd kunnen worden; de eigen kennis en mogelijkheden levenslang en duurzaam kunnen worden ontwikkeld. |
Talige complexiteit | De combinatie van factoren die een tekst moeilijk maken. Bijvoorbeeld: het woordgebruik (abstracte of minder frequente woorden), de zinsbouw (lange zinnen met veel inbeddingen, afwijkende woordvolgordes, tussenzinnen). Deze factoren zijn niet absoluut, maar hangen af van het niveau van de lezer/luisteraar. |
Talige beginsituatie | De talige kennis, vaardigheden en attitudes waarmee een leerling aan een les of lessenserie begint. |
Spreekvaardigheid | |
Spreekdurf | Dit is de bereidheid en het zelfvertrouwen van een leerling om zich mondeling te uiten in verschillende situaties (formeel en informeel), ook wanneer de taalbeheersing nog niet perfect is. |
Schrijfvaardigheid | |
Schrijfdurf | Dit is de bereidheid om vlot en onbevangen gedachten op papier (of scherm) te zetten. Een leerling met schrijfdurf laat zich niet verlammen door de angst voor spellingsfouten of grammaticale imperfecties, maar durft te experimenteren met tekst. |
interactievaardigheId | |
Kwalitatieve interactie | De diepgang en de waarde van de communicatie tussen leraar en leerling, of tussen leerlingen onderling. |
Didactisch handelen | |
Scaffolding | Dit is de tijdelijke ondersteuning die de leraar biedt om een leerling naar een hoger niveau te tillen. De ondersteuning is "contingent": ze wordt precies afgestemd op wat de leerling op dat moment nodig heeft en wordt afgebouwd (fading) zodra de leerling zelfstandig kan werken. |
Modelleren | Dit is een cruciaal onderdeel van expliciete instructie. De leraar treedt op als model door hardop denkend voor te doen hoe een taak wordt aangepakt. |
Voorinstructie | Een vorm van differentiatie waarbij leerlingen extra instructie of ondersteuning krijgen voor een les of lessenreeks, vooral ter voorbereiding op bepaalde concepten of begrippen die aan bod zullen komen. Ook: pre-teaching. |
Expliciete instructie | Dit is een doelgerichte en gestructureerde manier van lesgeven waarbij de leraar de leerstof stapsgewijs uitlegt. |
Transfer | Transfer is het vermogen om wat je in de ene context hebt geleerd (bijv. tijdens de les taal/Nederlands), toe te passen in een andere context (bijv. tijdens ‘De wereld en ik’). |
Differentiëren | Dit is het inspelen op de verschillen tussen leerlingen (zoals tempo, voorkennis of talige achtergrond) om voor iedereen de minimumdoelen bereikbaar te maken. |
Taalontwikkelend lesgeven | Dit is een didactische aanpak waarbij de leraar in de zaakvakken (zoals wiskunde, techniek of geschiedenis) bewust aandacht besteedt aan taal, zonder de vakinhoud uit het oog te verliezen. De didactiek steunt op drie pijlers: op context creëren (betekenisvolle situaties), interactie stimuleren (leerlingen laten praten over de leerstof) en taalsteun bieden bij vakspecifieke termen). Taalontwikkelend lesgeven wijst erop dat een leerkracht de (academische) taalverwerving Volgende begrippen behoren ook tot taalontwikkelend lesgeven, maar er zijn kleine nuances. |
Taalbewust lesgeven | Taalbewust lesgeven stimuleert een actieve werk- en leerhouding van leerkrachten, bewust van de eigen taalvaardigheid maar ook van de leerlingen. Wie taalbewust lesgeeft, maakt het onderwijs begrijpelijker, leerzamer en aantrekkelijker. |
Taalgericht vakonderwijs | Taalgericht vakonderwijs staat voor onderwijs waarin tegelijkertijd wordt gewerkt aan vak- en taaldoelen, bijvoorbeeld in de lessen aardrijkskunde en geschiedenis. Deze term wordt vooral in het secundair onderwijs gebruikt. |
Feedback | Proces waarbij leerlingen optimaal informatie krijgen over de kwaliteit van hun prestaties, met als doel ze te verbeteren. Feedback is in deze context de informatie die gegeven wordt over de geleverde prestaties. |
Feedforward | Geeft leerlingen gerichte aanwijzingen, strategieën en handvatten om volgende stappen in hun leerproces te zetten. Het richt zich op wat een leerling concreet kan doen om verder te groeien en ondersteunt op die manier een groeigerichte leerhouding. |
Feedup | Bestaat uit succescriteria en leerdoelen die concreet en observeerbaar beschrijven wanneer een taak of leeractiviteit goed uitgevoerd is. Door het geven van feed-up krijgen leerlingen zicht op wat ze precies moeten kennen, kunnen of begrijpen en welke verwachtingen daarbij horen. Hierdoor weten leerlingen waar ze naartoe werken. |
Schools taalgebruik | |
Schooltaal | De taal die nodig is om te leren en over leerinhouden te communiceren. Het gaat verder dan |
Vaktaal | De specifieke terminologie en taalvormen die eigen zijn aan een bepaalde vakdiscipline (zoals wiskunde, geschiedenis of wetenschappen) en die leerlingen moeten hanteren om vakinhouden te begrijpen en te verwoorden. |
Instructietaal | De taal die nodig is om het leerproces te sturen. Het gaat om de talige middelen die leerlingen moeten begrijpen en inzetten om opdrachten uit te voeren, deel te nemen aan klasactiviteiten en instructies op te volgen. In Vlaanderen is de instructietaal het Nederlands. |
Thuistaal | De taal of talen die leerlingen thuis spreken. Ook: het concrete taalgebruik dat typisch is voor de thuissituatie van de leerlingen (de taal die leerlingen elke dag gebruiken om te praten met familie en vrienden). |
Register | Taalgebruik dat is verbonden aan een bepaalde situatie of context. |
Rijke taal | Taalaanbod waarbij sprake is van variatie in woordkeuze en zinsbouw en waarbij aandacht is voor interactiemogelijkheden, spreekkansen en gerichte feedback. |
Taalontwikkelend lesgeven | |
Interactie | Interactie wordt beschouwd als de motor van taalverwerving. Het gaat verder dan alleen praten; het is een gezamenlijk proces van betekenisgeving. |
Context | Context is de betekenisvolle situatie waarin taal wordt aangeboden en gebruikt. Zonder context blijft taal abstract en moeilijk te verwerven. |
Taalsteun | De leraar biedt de nodige taalondersteuning om de leerling net een stapje verder te helpen in zijn taalgebruik dan hij alleen zou kunnen. |
Betekenisvol | De interactie of het leren vindt plaats binnen een context die voor het kind herkenbaar en boeiend is. |
Onderwijsbegrippen | |
Leermiddel | Het overkoepelende begrip voor alle materialen die in een formele lessituatie gebruikt worden om leerlingen kennis, vaardigheden en attitudes bij te brengen. Een leermiddel kenmerkt zich in het ondersteunen van het leerproces van leerlingen en het onderwijsproces van leraren door (1) inhoud (‘wat moeten onze leerlingen leren?’) en (2) didactiek (‘hoe zorgen we ervoor dat leerlingen de inhoud leren?’) aan te dragen aan leerlingen en/of leraren. Een leermiddel omvat het geheel van materialen dat aan leerlingen en/of leraren wordt aangeboden. Dit kan zowel papieren als digitale handboeken, leerwerkboeken en aanvullende materialen betreffen. |
Taalheldklassen | Dit zijn klassen of trajecten waarin een zeer intensief en taalbadgericht klimaat wordt gecreëerd voor leerlingen met een taalachterstand Nederlands. Het doel van een taalheldklas is om leerlingen zo snel mogelijk de nodige kennis van de schooltaal, instructietaal en basisvaardigheden mee te geven zodat ze succesvol kunnen aansluiten bij het reguliere onderwijs en de minimumdoelen kunnen behalen. Is enkel voor het basisonderwijs. Een Taalheldklas duurt max. 1 jaar en idealiter stapt de leerling sneller over naar de reguliere klas. Indien nodig kan de taalheldklas 1 jaar verlengd worden indien een leerling daar nood aan heeft. |
Kennisrijk curriculum | Een curriculum waarbij taalonderwijs niet losgekoppeld wordt van inhoud, maar juist wordt opgebouwd rondom rijke, thematische kennis. In plaats van 'droge' leesvaardigheid te oefenen op willekeurige tekstjes, lezen leerlingen teksten over geschiedenis, natuur of kunst. |
Taalbeleid | Een samenhangend geheel van maatregelen die het schoolteam neemt om de onderwijskwaliteit te verhogen via taal. Een taalbeleid op school zorgt ervoor dat de doelen rond woordenschat, schrijven, begrijpend lezen en luisteren niet enkel in de les Nederlands aan bod komen, maar dat er aandacht is voor taalontwikkelend lesgeven in de hele schoolcontext. |